Anka Mulder

Archive

Subscribe to receive new blogposts


 

Top

Vandaag was ik uitgenodigd als spreker op een onderwijssymposium van D66. Aan het eind van mijn presentatie kreeg ik twee vragen, die me vandaag hebben beziggehouden: waarom zou je top willen zijn en hoe word je dat als universiteit?

Waarom top? Een goede vraag. Wij Nederlanders hebben een ingewikkelde relatie met excellentie. Lange tijd was het not done om excellent te willen zijn, met de bekende zesjescultuur als gevolg. Daarin is de afgelopen jaren zeker iets veranderd: excellentieprogramma’s voor leerlingen en studenten, aandacht voor hoogbegaafden, CITO-toetsen, sneller studeren, eisen als BSA en harde knip zijn maar een paar voorbeelden. Aan de instelling waaraan ik ben verbonden, zie ik een cultuuromslag onder studenten, waarin goed presenteren geaccepteerd is en je ervoor kunt uitkomen dat je graag hoge cijfers haalt.

Maar universiteiten? Mogen die top willen zijn? Of is allemaal ongeveer even goed in de subtop beter? Dat laatste is momenteel de realiteit: alle Nederlandse universiteiten presenteren goed, bijna alle zitten in de top 200. Geen enkele echter bevindt zich in de absolute top. In de onlangs uitgekomen Times Higher Education ranking, bijvoorbeeld, is Leiden op plaats 64 de hoogste Nederlandse universiteit.

De vragensteller had zich ook tot het publiek kunnen richten: wat wil Nederland eigenlijk van zijn universiteiten? Als ik Nederland was, zou ik ambitieus zijn en instellingen vragen om niet tevreden te zijn met een zes of zeven. Maar hoe wordt een universiteit een 9 of een 10? Dat kost geld, gaf ik vanmiddag aan. Top 20 universiteiten zijn rijker dan Nederlandse universiteiten. Nu al is de concurrentie uit Duitsland en Zwitserland enorm. Topacademici krijgen daar meer geld, zodat ze zich betere faciliteiten kunnen veroorloven en meer promovendi om hen te helpen met hun onderzoek en onderwijs.

Maar “meer geld” is een wat simpel antwoord. Allereerst hoeft niet al dat geld van de overheid te komen. Dat kan ook het bedrijfsleven zijn bijvoorbeeld, als universiteiten hen iets kunnen bieden dat hen ook helpt. En universiteiten zouden private activiteiten kunnen ontwikkelen. Daarnaast zijn er andere factoren dan geld die een rol spelen. Relatieve autonomie is een belangrijke factor, geeft onderzoek naar succesvolle universiteiten aan. Het feit dat een instelling zelf inhoud kan geven aan zijn kwaliteitskoers: onderwijsdirecteuren, afdelingshoofden, decanen, bestuurders, studenten en vooral docenten. Want goede docenten en onderzoekers zijn natuurlijk essentieel voor een instelling met de ambitie om top te worden.

Met autonomie wordt overigens niet bedoeld dat geen enkele eis meer mag worden gesteld aan een universiteit of andere onderwijsinstelling, maar dat het aantal eisen wordt beperkt en gericht op de hoofdlijn: goed onderwijs en goed onderzoek, het beste uit jezelf halen. Hetzelfde als we van onze studenten en leerlingen vragen.

Nuon Solar Team wint zonnerace in Zuid-Afrika

Nuon Solar Team wint zonnerace in Zuid-Afrika
CC-BY Nuon

Be Sociable, Share!

1 comment

Mooie column, Anka. Is het streven naar de top eern doel of middel? Een universiteit dient de maatschappij, dus is de vraag: wat wil de maatschappij? Vooralsnog leven we in een vrij egalitaire samenleving waarin grote verschillen niet worden geaccepteerd. Geen grote pieken, geen diepe dalen. Als we al in de top 10 willen komen, dan met zijn allen!

© 2011 TU Delft