Anka Mulder

Archive

Subscribe to receive new blogposts


 

Weblog Anka Mulder

Deliver World Class Education to Everyone

Het zwemdiploma voor de ingenieur

Als je leraar gymnastiek wilt worden, heb je een HAVO-diploma, sportmedisch onderzoek en zwemdiploma’s nodig. Dat zijn voorwaarden voor inschrijving voor de opleiding. Ook opleidingen in de kunst en de PABO hebben extra toegangseisen. Voor een technische studie is een VWO-diploma met N&T-profiel voldoende. Zou het niet logisch zijn om ook voor techniek aanvullende eisen te stellen? Eén aanvullende eis om precies te zijn: een 7 voor wiskunde. De komende maanden zal ik deze vraag bespreken met onze Studentenraad, collega’s, de minister en beleidsmakers.

geometry-1044090_1920

De TU Delft kent een hoge uitval in het eerste jaar. Dat is al jaren zo, ondanks vernieuwde en verbeterde curricula, studiebegeleiding, aandacht van docenten, bindend studieadvies en hard werken door studenten. Circa 30% van de eerstejaars studenten krijgt een negatief BSA. Daarnaast schrijven behoorlijk wat studenten zich uit voor 1 februari. In totaal haalt zo’n 40-45% het eerste jaar niet. Misschien is dat het gevolg van het Nederlandse systeem: VWO-diploma en profielkeuze geven toegang en het eerste jaar is het selectiejaar. Er is veel te zeggen voor het systeem waarin het diploma het paspoort is voor het vervolgonderwijs. Het geeft helderheid aan scholieren. Het leidt echter ook tot broken dreams voor zo’n 1.000 studenten per jaar aan de TU Delft alleen al en ik vrees dat het niet veel beter is aan de andere technische universiteiten. De vraag is of dat acceptabel is.

Als we elke student zouden kunnen selecteren, zou de uitval vermoedelijk lager zijn, maar is dat het wenselijk? Selectie is de laatste jaren overigens wel meer gangbaar geworden in het hoger onderwijs in Nederland, voor de master-, maar ook voor de bacheloropleiding, waar deze blog over gaat. Het aantal selectie-instrumenten is daarmee ook gegroeid. Er lijkt zelfs een hele kerstboom aan selectiemechanismes te zijn onstaan. Dat is misschien ook niet vreemd, want de wet stelt als voorwaarde dat een universiteit of HBO-instelling die selecteert (bijv. voor een numerus fixus), verplicht is om verschillende criteria te hanteren.

Ooit sprak ik professor Marijk van de Wende over selectie. Marijk is een expert op het gebied van selectie. Vage en onduidelijke criteria leiden ertoe dat je meer van hetzelfde selecteert, zei ze. Het lijkt mij daarmee niet bevorderlijk voor diversiteit. Communicatievaardigheden, assertiviteit, motivatie: allemaal belangrijk, maar hoe test je het? Je kunt je voorstellen dat een eerste generatiestudent een achterstand heeft op de zoon of dochter van hoogopgeleide ouders bij het schrijven van een motivatiebrief: geen vader of moeder die het systeem al kent en die de brief met (of voor) hem of haar schrijft.

Onderzoek aan de TU Delft geeft aan dat het op het VWO behaalde cijfer voor wiskunde een goede voorspeller is van het studiesucces voor vrijwel al onze opleidingen, met uitzondering van Bouwkunde en Industrieel Ontwerpen. Dat is nauwelijks verrassend: wiskunde is een belangrijk vak voor techniekstudenten en een basisvaardigheid voor ingenieurs. Met minimaal een 7 voor wiskunde halen meer studenten hun BSA, vallen er minder uit en haalt een hoog percentage zijn of haar bachelordiploma in vier jaar. Het leidt kortom tot een forse beperking van het aantal broken dreams.

Mijn wens zou zijn om per 2018 die 7 als toegangseis te hanteren voor onze opleidingen, Industrieel Ontwerpen en Bouwkunde uitgezonderd. Leerlingen met een wiskundeknobbel halen die sowieso, de andere hebben de tijd om hard te werken aan die 7 en komen met een hoger wiskundeniveau binnen dan de zessen van vroeger. Een helder en objectief criterium, het zwemdiploma voor de ingenieur in spe.

Celebrating one million MOOC enrolments

1M-logo

This summer we reached a big milestone: one million enrolments for our MOOCs on the edX platform. Last Thursday we celebrated this with the TU Delft community. The focus of the event was to show the impact of the 1M.

We joined the edX consortium in the beginning of 2013 and the first two MOOCs started in September 2013. After three years we have 36 MOOCs with 1 million enrolments. This has exceeded all our expectations.

We have reached this milestone thanks to our fantastic team. Rob Fastenau, eDean of the Extension School, said “Behind every course there are teachers who go the extra mile“. Faculty and support team, they all did a great job.

Impact of our MOOCs

Big numbers are good, but what do they mean? During the event we discussed the goals we originally had. We also looked at the impact of our MOOCs:

  • Educate the World: increase access to education
  • Enhance TU Delft’s reputation
  • Improve campus education
  • Facilitate a stronger relation between education and research
  • Provide better collaboration with industry
  • See how MOOCs and the Extension School can be a catalyst for organisational change

We received a very warm congratulation message of Anant Agarwal, President of edX:

The Next Step

I think we all agree that the MOOC programme has had a very positive impact. We are currently working on the next steps, such as proving credits for MOOCs for our campus students and those of partner universities, more collaboration with industry to offer professional education and apply what we learned in our MOOCs to our campus education.

1M_celebration07

Panel discussion on Education & Research

 

Universiteiten liever penny wise dan pound foolish

Elk jaar houden de universiteiten geld over. In 2014 was dat zo’n 142 miljoen Euro en hadden ze gezamenlijk een spaarpot van anderhalf miljard Euro. Elk jaar is er ook onbegrip of kritiek: waarom geven ze hun geld niet gewoon uit aan onderwijs en onderzoek? Of: waarom vragen ze ondanks dat ze spaargeld hebben zelfs om meer geld voor onderwijs en onderzoek? De verklaring zit vooral in het vastgoed waarvan de universiteiten eigenaar zijn. Over het onderwijsvastgoed verscheen onlangs een rapport van de inspectie voor het onderwijs: universiteiten hebben hun vastgoed goed geregeld.

Allereerst, het is logisch dat universiteiten geld achter de hand hebben, zegt ook de inspectie. Dat is gezonde financiële huishouding, voor wanneer de inkomsten een keer tegenvallen, of om plotselinge groei van studentenaantallen te accommoderen. Extra studenten krijg je als universiteit namelijk pas een paar jaar later gefinancierd en ondertussen moeten die studenten natuurlijk wel onderwijs krijgen. Feitelijk is dat niet anders dan thuis. Ook thuis proberen we wat te sparen voor als ons inkomen een keer tegenzit, we onverwachte extra uitgaven hebben omdat de wasmachine het begeeft of wanneer we gezinsuitbreiding verwachten.

Een andere belangrijke reden waarom universiteiten sparen is vastgoed. Universiteiten hebben in 1995 het vastgoed dat zij gebruikten van de overheid overgeheveld gekregen. Dat klinkt als een cadeau, maar ze kregen er onvoldoende geld voor het onderhoud bij. Zo heeft mijn eigen universiteit veel gebouwen uit de jaren zestig, die nu aan renovatie of vervanging toe zijn, om veiligheidsredenen, omdat er asbest is geconstateerd, of bijvoorbeeld omdat ze totaal niet meer geschikt zijn voor het onderzoek van vandaag. Ook is de laatste 10 jaar het aantal studenten aan de TU Delft gestegen van 14.000 naar ruim 21.000 en het aantal promovendi verdubbeld. Die studenten en promovendi hebben ruimte nodig. Daarom wordt er nu in Delft een nieuw onderwijsgebouw neergezet en zullen er nog twee volgen.

De totale kosten van alle vastgoedplannen van de Nederlandse universiteiten bedragen zo’n 3 miljard Euro, die van de TU Delft alleen al 700 miljoen Euro. Dat zijn een enorme bedragen. Niets doen is echter geen optie: de onderhoudskosten zouden enorm oplopen, we zouden te weinig onderwijszalen hebben voor onze studenten en te weinig labs voor ons onderzoek.

Oude gebouwen van universiteiten zijn toe aan renovatie of vervanging.

Oude gebouwen van universiteiten zijn toe aan renovatie of vervanging. (Foto: Jan Sluijter / TU Delft)

Alle universiteiten hebben onderhoudskosten; vrijwel alle bouwplannen. Sommige zitten daar midden in en hebben dan ook een tijdelijk financieel tekort (de UvA bijvoorbeeld). Andere, zoals de TU Delft, zitten in het begin van hun bouwplannen, laten nu nog mooie zwarte cijfers zien, maar zullen over een paar jaar ook geld moeten lenen.

Wat nu als we onze spaarpot uitgeven aan onderwijs en onderzoek? Allereerst is het onderscheid dat vaak wordt aangegeven tussen onderwijs en onderzoek enerzijds en vastgoed anderzijds kant kunstmatig. De gebouwen worden natuurlijk niet voor de lol gebouwd, maar zijn er juist voor onderwijs en onderzoek. Daarnaast zou het onverantwoord zijn om geen rekening te houden met de investeringen die nodig zijn voor vastgoed. Als we dat doen, dan zullen we over 5 of 10 jaar een miljardenprobleem op het bord van de overheid moeten leggen. Ik hoef niet uit te leggen dat dat ongewenst is.

Overigens is de verleiding om meer geld uit te geven aan het aannemen van nieuwe docenten en onderzoekers er wel degelijk. De werkdruk is namelijk hoog. Veel universiteiten investeren daarom in meer wetenschappelijk personeel, maar met mate. Want terwijl ze de laatste jaren meer studenten hebben gekregen, is het bedrag dat ze van de overheid krijgen nauwelijks gegroeid. Per student krijgen ze dus minder geld dan vroeger.

Zijn universiteiten nu arm of rijk? Ik zou zeggen dat ze verstandig zijn. En het zou zeer onverstandig zijn om ze te dwingen hun spaarpotten in te leveren of versneld op te maken. Post Brexit zit misschien niet iedereen te wachten op een Engelse les. Maar “penny wise, pound foolish” lijkt me toch een hele wijze.

Every child should learn how to code

A few weeks ago one of our lecturers, Felienne Hermans, started a MOOC on programming for children age 8 and older. The MOOC is based on Scratch. It is TU Delft’s first MOOC in Dutch and also the first for this age group. 2.500 Dutch children have enrolled, even though it is the end of their school year and the start of their holidays!

Screenshot of one of the MOOC videos

Screenshot of a video of Felienne

Our MOOC is not not the only initiative to help children to learn how to code.  Apple, for example, offers Swift Playgrounds online, Google teaches children to programme with ‘Bloks’ and there any many other examples. That makes sense, because programming is an important skill for the future. “Jong geleerd, oud gedaan” (something learned at an early age will be easy when one is older), as the Dutch proverb goes.

President Barack Obama, Apple CEO Tim Cook and former European Commisioner Nellie Kroes all said that they believe children have to learn how to programme. Mitch Resnick agrees and in his Ted Talk in 2012 he explains why. Children nowadays are very experienced in interacting with, but less so in expressing themselves with new technologies. It is almost as if they can read, but not write with new technologies.

There are other reasons why knowing how to code is important. Programming is a perfect exercise in logical thinking and problem solving. It also enables you to stay in control of the digital world around you, for example of your privacy. And there are economic reasons. The OECD says that in 2020 digital skills are needed in almost every profession. The World Economic Forum stated that 10 years from now 90% of the world population will be connected to the internet. Our society is rapidly becoming more digitalised. We do our tax forms online, download music and movies, book a table in a restaurant online, learn new things via MOOCs, we chat and Skype. In short, already today digitisation and the Internet have a major impact on our daily lives and that impact will increase exponentially in the future with ‘the internet of things’. Just think of the effect the mobile phone and smart phone have had in the last 10 years. That means that there is a bright future for programmers or anyone who knows how to do it.

Delft

Interestingly, coding is not a standard part of the programme of our own students at TU Delft. So many of our TU Delft students may leave university without knowing how to programme. The same is true for students at many other universities, I am sure. I think we should change that and make programming part of the curriculum of every student, certainly at TU Delft. Just like mathematics and physics, programming is a common language for every engineer, a skill they should all have.

Who knows, 10 years from now all these 8+ year old MOOC kids Felienne taught will enter TU Delft. Wouldn’t it be great if our current students can match their programming skills?

Diversiteit op de universiteit

De afgelopen weken is me veel gevraagd wat ik vind van de zaak rondom de jonge homoseksuele student in Schipluiden, die zijn studentenhuis moest verlaten. Een aantal collega’s en ik hebben de afgelopen weken regelmatig contact gehad met de betrokken studenten aan weerszijde van het verhaal. Dat doen we niet om te ‘oordelen’, maar omdat we het belangrijk vinden dat we onze studenten steunen als ze het om welke reden dan ook zwaar hebben.

Wat me uit die gesprekken heel duidelijk is geworden, is dat de publieke aandacht voor de zaak een enorme impact op deze jonge studenten heeft. Allemaal willen ze het liefst weer in de anonimiteit verdwijnen en de normale draad van hun leven weer oppakken. Ik vind vooral dat we die wens moeten respecteren.

Dat betekent overigens niet dat we vragen over diversiteit en discriminatie geen aandacht moeten geven.  Juist het omgekeerde. Mijn visie is dat de TU open staat voor alle mensen met talent, ongeacht hun achtergrond, geaardheid of overtuiging. Ik denk dat het over de linie heel goed gaat aan de TU Delft, maar ook hier is ruimte voor verbetering. Een fout grapje is snel gemaakt, net zoals een botte opmerking. Daarnaast, de diversiteit aan de de TU Delft groeit. Steeds meer mensen die net een beetje anders zijn dan jij en dat is soms wennen of een beetje inschikken.

Het enige dat volgens mij helpt is veel met elkaar in gesprek gaan. Ik heb de afgelopen weken met veel studenten, studentenorganisaties en collega’s gesproken over de gebeurtenis in Schipluiden. Het doet me ongelofelijk deugd om te zien hoe breed de overtuiging van het belang van diversiteit en respect wordt gedeeld. Met elkaar praten helpt. Mensen publiekelijk aan de schandpaal nagelen helpt volgens mij niemand.

Numerus Fixus TU Delft

Een numerus fixus aan de TU Delft – kan dat? Op een familiefeestje onlangs zei een nicht (studente aan een universiteit aan de andere kant van het land) dat ze daar wel begrip voor had. Als je niet voldoende wetenschappelijk personeel of onderwijszalen hebt bij een bepaalde opleiding, of opeens veel meer studenten bijvoorbeeld. Onzin, vond een oom (lang geleden afgestudeerd), Nederland heeft ingenieurs nodig, dus aan de bak: bijbouwen, hoogleraren en docenten aannemen en alle studenten toelaten.

Deze discussie beschrijft heel aardig het dilemma van de numerus fixus aan de TU Delft. Niemand is gelukkig met een numerus fixus, een begrenzing van de instroom van nieuwe studenten:  de studenten niet, de werkgevers, de politiek en ik al zeker niet. Waarom is die er dan toch bij een aantal opleidingen?

Nederland heeft de afgelopen tien jaar flink ingezet op het werven van jongeren voor technische beroepen en opleidingen. Nederland, maar ook andere landen, zien kennis en de toepassing daarvan als motor voor de economie. Ingenieurs spelen daarin een belangrijke rol. Daarnaast zijn technologie en innovatie onmisbaar bij de aanpak van grote maatschappelijk opgaven rondom zorg, duurzame energie en veiligheid.

Bij de TU Delft zien we dat die campagnes vruchten afwerpen. In tien jaar tijd steeg de studenteninstroom met 50%.  Die stijging gold voor de hele universiteit. Hij was echter niet geleidelijk, maar verliep met flinke pieken, eerst bij de bachelor opleidingen Bouwkunde en Industrieel Ontwerpen, later bij bijvoorbeeld Luchtvaart- en Ruimtevaarttechnologie en Werktuigbouwkunde.

Ook elders is de groeiende belangstelling voor technische opleidingen zichtbaar. Het aantal scholieren dat voor een bètastudie kiest, is hoger dan ooit en dat is goed. De enorme toeloop van studenten dwingt de technische universiteiten echter tegelijkertijd om na te denken over maatregelen als numeri fixi, want kwaliteit blijven bieden is nog belangrijker dan zoveel mogelijk studenten toelaten. Mensen als de topman van ASML zijn hier fel tegenstander van en dat is is begrijpelijk. Want wie gaat dan straks die tienduizenden vacatures vervullen die nog open staan in technische beroepen?

Afgestudeerden van de technische universiteiten zijn zeer gewild bij deze multinationals. Dat komt onder meer omdat Nederlandse ingenieurs al tijdens hun opleiding leren samenwerken in projecten aan realistische problemen uit de beroepspraktijk. Ook de koppeling van het onderzoek aan het onderwijs is een belangrijke factor. De resultaten zijn overal zichtbaar, ook in zoiets als de World Solar Challenge, een studentenwedstrijd voor wagens op zonne-energie. Het kan toch geen toeval zijn dat dat tegenwoordig haast een Nederlands onderonsje is? In 2015 won het Delftse team maar net van Twente in de Challenge-klasse, terwijl Eindhoven de Cruiser-klasse voor haar rekening nam. Er is volgens mij dus geen probleem met de kwaliteit. Wel met de kwantiteit.

Kijken we naar aantallen afgestudeerden met een bèta- of techniekopleiding, dan staan we binnen Europa op een schamele 26e plaats met 2,8 per 1.000 inwoners. Een land als Zwitserland, waar de onderwijskwaliteit ook hoog is, heeft er 5 per 1.000 inwoners. Dat moeten wij in Nederland toch kunnen evenaren? Er is overigens nog een ander verschil met Zwitserland: de investeringen in het technologisch hoger onderwijs liggen daar vier keer zo hoog.

Ondertussen leiden we aan de technische universiteiten steeds meer studenten op, terwijl de financiering per student achterblijft. Tot nu toe lukt dat nog, zolang we die stijging met behulp van numerus fixi enigszins kunnen reguleren. In Delft hebben we die momenteel bij drie bacheloropleidingen: Industrieel Ontwerpen, Luchtvaart- en Ruimtevaarttechnologie en Klinische Technologie. Bij deze opleidingen groeide de belangstelling van aankomende studenten explosief.

Een numerus fixus doen we niet met plezier, maar bij uitzondering: de fixus laat ons toe om te zorgen voor voldoende docenten, onderwijsruimte, studieplekken en andere voorzieningen, zodat we de kwaliteit van de opleidingen hoog kunnen houden.

 

 

Open Education Seminar: Next steps for Open Education

TU Delft started sharing Open Educational resources back in 2007. Now, TU Delft Open Education has matured in such a way that we are ready to take the next step: offering credits for MOOCs.

As I mentioned before, offering credits for MOOCs is a big step for brick and mortar universities.

Currently TU Delft aims at setting up an alliance with several international partners, like the University of Queensland, the University of British Columbia, EPFL, Rice University and Australian National University. Their shared ambition is to recognize and integrate MOOCs in (formal) campus education. This would mean that in the future any student registered at one of the partner universities can take any MOOC offered by these universities and be awarded formal Credits for it.

Please join us at the Open Education Seminar (March 10th, 14:00h, TU Delft campus)! During the Seminar:

  • We will share our vision on the next steps in Open Education, supported by our alliance partners.
  • The opening presentation will be followed by a range of guest speakers who will share their experience and ideas about bringing Open Education closer to formal education, leading to an increase in quality of learning for our students.
  • The Seminar will be closed with a debate, where everyone present can share his or her opinion and vision.

I would like to invite all who are interested to join the seminar. Please register here. Visit the website to learn more about the program and guest speakers.

Will universities be the Uber of Higher Education?

Since the first MOOCs went online three years ago,  there have been many publications about their effects: would MOOCs increase access to higher education to new groups of students or not, would they lead to innovation in education or were they old didactics gone digital, and would MOOCs be the end of the university?

Universities will still be around 10 or 20 years from now, but there are developments we should be aware of. One of them is that digitisation has created enormous possibilities for data brokering and brokers in higher education, a development we are already witnessing in many sectors (see for example: The Uberfication of Everything).

Let’s have a look at the two most often mentioned examples: Uber in the taxi world and AirBnB for hotels. Both companies were set up only a few years ago and they have become very successful. There are some funny things about both of them. They don’t have hotels and don’t own taxis, but they own the data. They also don’t employ hotel workers or taxi drivers (people who work via them are paid per job), but they do employ data specialists. Uber and AirBnB have become the very successful brokers in the taxi and hotel world.

ubersMany people claim  that the hotel or taxi business is very different from higher education. But is that true? Or will higher education have a broker as well and will we – academics, managers, support staff – be its taxi drivers?

Another interesting data broker is LinkedIn. It already has access to tons of information, which we have given to LinkedIn on a voluntary basis. Name, education, professional background and interests, connections, skills and endorsements. It recently bought online learning company Lynda. It has also acquired Bright, which makes algorithms to match jobs and candidates. LinkedIn connects students with universities (LinkedIn helps students find a university), students with jobs (LinkedIn helps students find a job) and universities with alumni (LinkedIn helps university connect with alumni). What if, in the future, it does not connect anybody with your university or mine?

Universities have the content, students and data, so perhaps they needn’t worry. Some people believe that they should and universities should have the ambition to become the broker themselves, not let the Uberfication of higher education happen. But how good, user friendly or fast are universities with big data compared to companies like Amazon or Trip Advisor? From the perspective of professionalism in data management even dating services have a better chance of becoming the broker of higher education than universities do.

If we see the Uberfication of higher edcation as a real possibility, is there something we should or could do about it? One possibility is to develop data expertise ourselves, alone or as universities together: understand how to use our data better, personalise education, professionalise education services, especially online. Or perhaps we should work together with those who are much better at this already. Be realistic about what we do well and what we don’t.

Credits for MOOCs?

credits-for-moocs

This year’s EdX Global Forum (8-10 November in Washington DC) was all about MOOCs and credits. No surprise, as we increasingly receive questions from teachers (“Can I use this my colleague’s MOOC in my course?”) and students (“Can I take this MOOC from university X for credit in my regular campus programme?”). But is was also on the conference agenda because we put it there. TU Delft prepared a discussion document together with ANU in Australia: should we include MOOCs in our campus programmes and if so, how do we do this?

During the conference there was a feeling among quite a few participants that giving credits for MOOCs will happen anyway. It has advantages for our students (access to a vast portfolio of interesting courses), teaching staff (enhance the curriculum and share quality education) and universities (sharing and using each other’s expertise and offering that to our own students). But there are many issues to be solved before we can recognise each other’s MOOCs. Most universities don’t accept their own MOOCs in their campus programmes, let alone those of other universities. What are the problems?

Not all MOOCs are suitable
In the past few years MOOCs have been made for a number of reasons and for different audiences. Quite a number are introductory MOOCs or MOOCs for secondary school students. Obviously, these are not suitable parts of regular university programmes. Also, whereas some programmes have quite some space for electives or courses -so perhaps also MOOCs- taken from other universities, other programmes are more strict.

Global credit system?
Interoperability and a global standard neededThere are numerous models for the way in which a curriculum is structured: which entry level is required, which place does a course have in the curriculum (first year, second ..), how long and which level is it, to name a few. These models vary per continent, country, region and often even within a university. This makes it hard to judge if a particular MOOC fits into a regular programme. Some countries, e.g. Australia, and regions, e.g. the EU with its ECTS, already have experience with a credit transfer system. A next step could be to map these models and see if a global credit system can be developed.

Financial systems
Universities worldwide are financed in different ways. Some rely mostly on government funding for their education, others need to cover the cost of education 100% with tuition fees. Some receive a large part of their budget as a lump-sum funding, others are funded per students or per graduated student. All universities have to cover their expenses. MOOC producing universities have invested in their online and MOOC programme. A system of mutual recognition of MOOCs may affect universities in different ways.

Our campus population
The decision on which course can be included in a particular programme often does not lie with the Board, but with the course director, dean, or examination board. So that is also the case for the decision on if and how a MOOC can be included.

Even more important is this: for our staff to accept such a new step one point will be vital and that is quality. Our teachers and programme directors will only consider integrating a MOOC in a regular programme if it is of top quality and produced by a reliable university they know and have worked with before.

The funny thing is that most of these points are not new.
We already have many students in exchange programmes, TU Delft students taking courses at UBC Vancouver, or ANU students at TU Delft. We already experience the difficulties in transferring credits between universities. But recognising MOOCs means that we are potentially talking about large numbers of students. A good reason to solve this now for MOOCs and with a bit of luck, we may also solve the problems that campus exchange students have.

So what is next?
Credits for MOOCs is a difficult issue with many facets. We have to study these thoroughly and perhaps try out some small pilots as a next careful step. A group of universities, including TU Delft and ANU, present at the conference have set up a working group to discuss exactly this: how can we give credits to MOOCs, make use of each other MOOCs and open up a global portfolio to all our students?

MOOC lecturer appointed as Antoni van Leeuwenhoek Professor TU Delft

Professor Arno Smets

Professor Arno Smets

The aim of the Antoni van Leeuwenhoek chairs (AvL) at TU Delft is to promote young, excellent academics to the position of Professor at an early age so that they can develop their academic careers to the fullest possible extent. Nominations are assessed by the Advisory Appointment Committee on three criteria: research, education and organisation.

Historically, the main criterion for an AvL appointment has been the academic status, based on evidence of outstanding achievements in research. As part of the Year of Education this time a candidate was nominated who has not only an outstanding research performance, but a very strong education profile as well, both within and outside the university.

TU Delft has appointed Dr. Arno Smets as Antoni van Leeuwenhoek Professor. Arno is an excellent researcher in the field photo-voltaic material and devices. He is also the lecturer of our most popular MOOC, a MOOC on Solar Energy, with over 120.000 learners. This was one of the first two MOOCs TU Delft launched on the EdX platform. It has had three runs already and has been translated into Arabic. The MOOC has provided Arno’s group with important research data as well. With his drive and enthusiasm Arno has made his MOOC to an international  success. This has given his department an even stronger postion on the world map as one of the world’s important groups for teaching and research on solar energy.

Arno’s work also shows how interlinked research and education are at universities, in developing new ideas, creating new networks, collecting data and of course in academic careers.

 

 

© 2011 TU Delft